Verdichting |
||
Dooft men de dag al ten gerieve
de nacht blijft wezenlijk angst
het blinde komt om overgave
elk moment is eindeloos uitstel.
![]()
De toeloop bij spektakel
de hoop op tijdverdrijf
eeuwige termijn van leemte
het richten van de zinnen
het lossen van beloften
periodieke stelsels van genot
het zoeken naar het ene
het speuren van de waarheid
afstandsloop van de dood.
![]()
Er zal geen nieuwe
mens ooit komen
men zal de aloude
enkeling zijn.
![]()
Ik zeg bijvoorbeeld wanstaltige plichtpleeg
woorden kunnen parten spelen
het is de taal niet noch het denken
het is het hart dat hapert.
![]()
Geloof in de taal
en de toverformule in
dienst van het grote geheim
zweer bij de oorsprong
verzwijg geen gebod
herleid mij tot oeroud refrein
huldig de wanklank
van stemmige stilte
zingen is sterveling zijn.
![]()
De dichter
wordt gedicht
het hart
wekt zich
elk woord
verwerkelijkt.
![]()
Men kraait van god
of keert zich af
om ander blijk
en kent de kracht
niet dan
van horen zeggen
toch lacht men zich
een grond
om ‘s ochtends op te staan.
![]()
Uitleg vraagt om iedere inval
die om iedere uitleg vraagt.
![]()
Als men miskent
is elke leugen
eender lijkt het
alle daad bedrog
wie vaart hoe
lang nog recht
door zee langs
zijdelingse lonk.
![]()
Er is de ware
aard, van het of men
de rest zijn
wij, toedracht.
![]()
Verhalen put ik
van elders en weleer
wonend
in de grote boom
waaruit bij terugkomst
ik val ter aarde rijp.
![]()
Men zegt de mens
is blind maar blind
waren wij beter
dan ziekelijk gezond
want de blinde heeft
zijn nachtoog
maar wij zijn heelhuids
hulpeloos.
![]()
Dit tekenloze
teken
hoe
sta je erbij stil.
![]()
Heb je werkelijk
mij gezocht of
zoek je wat
je kwijt bent
zeg je: ik heel
mijn plek alleen
vraag ik: waar
woon je dan.
![]()
Kom nou, vergeet maar
wat morgen nog wacht
sluit nu je ogen,
de maan zingt al zacht.
![]()