Tijdzang |
||
GLIJVLUCHT
Jij:
voordat we deze reis ondernemen,
moet je mij tot leven zingen.
Ik:
beloof me dat ik sterven mag
alvorens wij op weg gaan.
Geen dag dat ik je niet gedenk
steeds zoekt huid huid ten prooi
maar raakt het hart onbeantwoord
dus adem ik me los in luchtklank
en dank god dat jij je mededeelt
in goudgeur voorgoed ongevraagd.
![]()
Blik weg van vooruitzicht
loze rechten op wat werd
in wat jij bent en baart
zich altijd nestelt
kracht die splijtend ons
vereent tot leeflicht
gedoog kind dat
moeizaam zich zo kent
niets wordt hier gedeeld
dat delend niet thuishoort.
![]()
Jij die snel en verre ankers werpt
de zee zingt ontstemmend serenades
zeg of dit ademwaken jou bindt
aan de niet te stelpen stroom
die roeiers laat sterven
hun hart niet in het reine.
![]()
Jou lossen is me vestigen centraler
totdat de asrotatie perfect vibreert
me manoevreert in volle kracht
tot steevast feestend werkverkeer.
![]()
Het is niet anders het
universum laat zich niet verlakken
sla dus pennen in de grond
en bid om koord opdat
de stem ontbroken zich hore
zo groot kan geen mond zijn
keelgat borst of torso
voorbeeldig dient klank geleid
draagkracht gekoesterd
want leegte wil ons nodigen
naar waakzang
reiken miljarden vingers
de ene geest weet zich gekend
niemand zal wenen
roerloos gericht.
![]()