Ernst Meister |
||
Geduld was de nacht,
één enkele lange
toon van geduld.
Het ik dunkte zich
herder en hond en
zwervende kudde ineen.
Wat zichzelf daar
beschrijft in
het wakend dromen
dat is water,
aarde, lucht, vuur
(zo zeiden de ouden):
deze vier, een
kunstvorm tezamen
met als beschermheer de lust,
met als beschermheer het ach.
![]()
Hoe kan nu
een brein en gebeente,
wie weet waar
vandaan, o bloemen,
zich thuisvoelen in de
Sterrenstraat, waar
het zich laaft
aan de naamloze
melk om heel lijdzaam dan
eraan te onthechten,
als kadaver -
![]()
Bezongen is
de steen. Ik houd
hem in mijn hand
en weet meteen:
ik sta
in de baan van zijn val.
![]()
En ik wil wennen
aan gehangene zijn:
de hemel,
het grootste oog
voor de haak - daaraan
het koord met de strop
die me tilt
aan de oksels.
Hang maar.
Al slingerend
is er tijd om te denken
aan het gras...
de onbezonnen duur
van het lichaam.
![]()