HET IK

WAT ZICHZELF DAAR

HOE KAN NU

BEZONGEN IS

EN IK WIL WENNEN

 

HET IK

Geduld was de nacht,

één enkele lange

toon van geduld.

 

Het ik dunkte zich

herder en hond en

zwervende kudde ineen.

Zahlen und Figuren. Aachen 1987 [oorspr. 1958]

Wat zichzelf daar

beschrijft in

het wakend dromen

 

dat is water,

aarde, lucht, vuur

(zo zeiden de ouden):

 

deze vier, een

kunstvorm tezamen

 

met als beschermheer de lust,

met als beschermheer het ach.

Wandloser Raum. Darmstadt 1979

Hoe kan nu

een brein en gebeente,

wie weet waar

vandaan, o bloemen,

zich thuisvoelen in de

Sterrenstraat, waar

het zich laaft

aan de naamloze

melk om heel lijdzaam dan

eraan te onthechten,

als kadaver -

Im Zeitspalt. Darmstadt 1976

Bezongen is

de steen. Ik houd

hem in mijn hand

en weet meteen:

ik sta

in de baan van zijn val.

Ausgewählte Gedichte. Darmstadt 1979

En ik wil wennen

aan gehangene zijn:

 

de hemel,

het grootste oog

voor de haak - daaraan

het koord met de strop

die me tilt

aan de oksels.

 

Hang maar.

Al slingerend

is er tijd om te denken

aan het gras...

de onbezonnen duur

van het lichaam.

Ausgewählte Gedichte. Darmstadt 1979

 

Naar begin van reeksNaar bovenNaarvervolg van reeks