BRANDENDE HANDEN

NIETSHEID

EN JIJ WIL DAT WE

KNOOK TOT KNOOK

ECHO VERSTEEND

IN ONZE DIEPTE (17)

 

Gedichten van Vasko Popa

Uit: Selected Poems. Harmondsworth 1969

 

BRANDENDE HANDEN

 

Twee brandende handen verdrinken

In de diepten van het hemelgewelf

 

Zij grijpen niet naar de ster

Die rondom hen suist

En schittert en zich kruist

 

Zij zeggen iets met hun vingers

Maar wie kent

De tong van vingers in vlam

 

Plechtig brengen zij hun palmen bijeen

Om een dak te schetsen

 

Verbeelden zij soms het oude huis

Dat zij afgebrand verlieten

Of misschien het nieuwe

Dat zij weldra weer gaan bouwen

NIETSHEID

 

Nietsheid jij lag in slaap

En droomde dat jij iets was

 

Iets vatte vlam

Het vuur kronkelde

In blinde gekweldheid

 

Jij ontwaakte nietsheid

En warmde je rug

Aan het droomvuur

 

Jij zag niet hoezeer het vuur leed

Hele werelden van lijden

Jouw rug is kortzichtig

 

Nietsheid jij viel weer in slaap

En droomde dat jij niets was

 

Het vuur doofde

Gekweldheid kreeg haar gezichtsvermogen

En ook zij doofde in zaligheid

En jij wil dat wij elkaar beminnen?

 

Je kunt me vormen uit mijn as

Uit het puin van mijn gebulder

Uit mijn resterende eentonigheid

 

Dat kun je knapperd

 

Je kunt me grijpen bij het haar van vergeten

Omarmen mijn nacht in een leeg hemd

Kussen mijn echo

 

Tja je weet niet wat liefde is

KNOOK TOT KNOOK

Uit: Vasko Popa: Homage to the lame wolf;
selected poems 1956-1975. Oberlin College 1975

 

 

IN HET BEGIN

 

Dit voelt heel wat beter

Het vlees zijn we kwijt

 

Nu kunnen we doen wat we willen

Zeg eens iets

 

Zou jij willen zijn

De ruggegraat van bliksem

 

Zeg eens iets meer

 

Wat kan ik zeggen

Heupbeen van een storm

 

Zeg eens iets anders

 

Dit is alles wat ik weet

Ribben van de hemel

 

We zijn niemands knoken

Zeg een iets anders

NA HET BEGIN

 

Wat zullen we gaan doen

 

Een goeie vraag

We maken merg voor het avondeten

 

We hadden vanmiddag al merg

Nu knaagt een hol gevoel van binnen

 

Laten we dan muziek maken

We houden van muziek

 

Wat doen we als de honden komen

Ze houden van knoken

 

We stokken in hun keel

En lachen erom

IN DE ZON

 

Heerlijk om naakt te zonnebaden

Vlees zei me nooit veel

 

Die dracht kon mij ook nooit boeien

Ik ben stapel op jou zo naakt

 

Zorg dat de zon je niet streelt

Laten we enkel elkaar beminnen

 

Wel niet hier niet in de zon

Hier kun je alles zien knookjelief

ONDER DE GROND

 

Weefsel van donkerte weefsel van vlees

Het is alles eender

 

Wat nu dan

 

We roepen de tijdloze knoken

We bestijgen de zon

 

En dan

 

Dan worden we zuiver

Blijven we groeien naar believen

 

En daarna dan

 

Niets we zullen overal gaan

We zullen eeuwige knookwezens zijn

 

Wacht maar tot de aarde gaapt

IN DE MANESCHIJN

 

Wat gebeurt er nu

Het is alsof vlees sneeuwachtig vlees

Zich hecht aan miij

 

Ik weet niet wat het is

Het is alsof merg door mij vloeit

Een soort knookkoelend merg

 

Ik weet het ook niet

Het lijkt alsof alles weer begint

Te beginnen vreselijk

 

Weet je wat

Kun jij blaffen

VOOR HET EINDE

 

Waar gaan we nu heen

 

Hoe kunnen twee nergens

Twee knoken ergens anders heen

 

Wat gaan we daar doen

 

Al heel lang zijn daar

Niemand en zijn vrouw niets

Op ons aan het wachten

 

Wat willen zij van ons

 

Ze zijn oud en hebben geen knoken

We zullen hun dierbare dochters zijn

AAN HET EIND

 

Ik ben een knook jij bent een knook

Waarom heb je me verslonden

Ik kan mezelf niet meer zien

 

Wat is er met jou aan de hand

Jij hebt mij juist verslonden

Ik kan mezelf ook niet zien

 

Waar ben ik nu

 

Niemand weet nu nog

Wie wie is of waar

Alles een nare droom over stof

 

Kun je me horen

 

Ik kan jou en mezelf horen

Er is een ranonkel aan het spruiten uit ons

 

ECHO VERSTEEND

Er waren eens talrijke echo's

Zij waren slaven van één stem

Bouwden bogen voor hem

 

De bogen vielen om

Zij hadden ze scheef gebouwd

De stof bedekte hen

 

Ze gaven dit riskante werk op

Veranderden van de honger in steen

 

In steen veranderd vlogen ze weg

Om korte metten te maken met de lippen

Waarvandaan de stem kwam

 

Ze vlogen wie weet hoe lang

Blinde dwazen ze merkten niet

Dat ze vlogen langs de rand van de lippen

Die zij zochten

Uit: Vasko Popa: Homage to the lame wolf;
selected poems 1956-1975. Oberlin College 1975, p. 62-63

IN ONZE DIEPTE (17)

Ik zou willen slapen in de zee

Ik plons in de pupillen van je ogen

 

Ik zou willen bloeien op het voetpad

Ik volg de bloembedden in je tred

 

Ik zou willen ontwaken in de hemel

Ik spreid mijn bed in jouw lach

 

Ik zou onzichtbaar willen lijken

Ik laat me vergrendelen in jouw hart

 

Ik zou je willen roven uit de stilte

Ik kleed je in gezang

Uit: Vasko Popa: Complete poems 1953-1987. London 2011, p. 53

 

Naar begin van reeksNaar bovenNaarvervolg van reeks