Schets van het ontstaan van Aikido en de connectie naar Stiltij.

 

Auteur:
Landau Hoedemaker


21 januari 2009

 

Aikidostroom van Tanabe naar Stiltij

Deel 1

De geboorteplaats van Morihei Ueshiba, de grondlegger van Aikido, lag in Tanabe, in het Kumano district, een gebied dat geassocieerd werd met de beginselen van veel oeroude, Japanse mystiek. Kumano stond bekend als ‘gateway to the Divine’ of ‘poort tot het Goddelijke’.

Al vanaf jonge leeftijd was Morihei bijzonder geïnteresseerd in esoterische en exoterische wetenschappen en verslond honderden boeken over uiteenlopende onderwerpen, met een voorkeur voor wis- en natuurkunde. Op zevenjarige leeftijd werd hij naar Jizodera gestuurd, een boeddhistische tempel in de Shingon traditie. De priester die Morihei daar vertelde over Kobo Daishi, een meester van het Tantra boeddhisme, kan beschouwd worden als Morihei’s eerste leraar. De jonge Morihei nam veel van deze heilige traditie tot zich om dit op latere leeftijd te integreren in zijn meer ontwikkelde denken.

Morihei Ueshiba werd geboren op 14 December 1883 als vierde kind en eerste zoon van vader Yoroku en moeder Yuki. Morihei’s imposant gebouwde vader kwam uit een samoerai familie; Morihei’s grootvader Kichiemon had groot aanzien vanwege zijn ongekende kracht en uitzonderlijke vaardigheden in de krijgskunsten. Yoroku was een groot gerespecteerd lid van de plaatselijke gemeenschap en had twintig jaar lang gediend in de dorpsraad.
Zijn moeder Yuki, afstammeling van de vooraanstaande Takeda clan, was een ontwikkelde vrouw met een diepe interesse voor literatuur, kunst en religie. Als gevolg van zijn vroegtijdige geboorte had Morihei in zijn jonge jaren een fragiel gestel. Op aanmoediging van Yoroku begon Morihei zich fysiek te ontwikkelen en begon met sumo-worstelen, hardlopen en zwemmen. Zijn volgende contact met de krijgskunsten kwam tot stand in Tokyo in 1902. Morihei studeerde er Kenjutsu en Jujutsu onder leraar Takisaburo Tobari.



Vanwege de groeiende rol van Japan op het economische en militaire wereldpodium, breidde het zijn leger in snel tempo uit. Na Morihei’s toelating tot militaire dienst excelleerde hij in sumo-worstelen en bajonet-vechten. Hij kreeg er de bijnaam ‘Koning der Soldaten’, met name door zijn eerlijke, hardwerkende instelling. Ook was hij als enige infanterist in staat om de officieren te paard bij te houden tijdens de lange mars. Tijdens en na zijn dienstperiode trainde Morihei in Sakai in de dojo van Masakatsu Nakai, instructeur Yagyu Ryu Jujutsu van de Goto school. Bij terugkeer in Tanabe besloot Yoroku om zijn schuur tot dojo om te bouwen en nodigde judoka Kiyoichi Takagi (later 9e dan leraar van Kokodan Judo) uit om les te geven. Na terugkeer uit Sakai trainde Morihei onvermoeibaar met Kiyoichi en breidde zijn kennis van de klassieke krijgskunsten uit. Ook bleef hij naar Sakai op en neer reizen om met Masakatsu te blijven trainen om in 1908 een leraarcertificaat van hem te ontvangen.

Morihei was niet vies van het gebruik van uitzonderlijke methodes om zijn lichaam te ontwikkelen. Zo bonkte hij zijn hoofd vele malen tegen een stenen muur om zijn schedel te harden en omdat hij bij zijn eerste keuring voor militaire dienst werd afgewezen vanwege zijn lengte (hij was met 1,55m te kort), hing hij urenlang aan de tak van een boom met zware gewichten aan zijn benen om zijn ruggengraat te rekken zodat hij kon voldoen aan de toelatingseis. Ook tijdens het fysiek en mentaal zware pioniersproject om een kolonie te stichten op het eiland Hokkaido ontwikkelde Morihei immense kracht en uithoudingsvermogen. Als voorman van het project verrichte hij jarenlang enorm zwaar werk en ondernam talrijke initiatieven om tegen alle tegenslagen in de kolonie tot een succes te maken, wat hem lukte.

Tijdens zijn verblijf op Hokkaido ontmoette hij Sokaku Takeda, de meester van Daito Ryu Aikijutsu. Sokaku was van jongs af aan getraind in veel vormen van krijgskunsten en hij was een afstammeling van de meest gevreesde samoerai strijders van Japan. Volgens de verhalen zijn de beste krijgers uit het gebied op enig moment zijn leerling geweest. Na een maand intensief met hem getraind te hebben ontving  Morihei van Sokaku een eerste graads leraarcertificaat. Morihei bouwde vervolgens een dojo in het dorp, nodigde Sokaku uit om er te komen wonen en ontving dagelijks privélessen van deze legendarische krijger. Veel technieken die Morihei in Aikido heeft opgenomen stammen uit de tijd die hij doorbracht met Sokaku Takeda.

Acht jaar na zijn komst naar Hokkaido, besloot Morihei eind 1919 om het eiland te verlaten en het hoofdkwartier te bezoeken van de Omoto-kyo religie in Ayabe, een kleine stad nabij Kyoto. Betoverd door de stad en het hoofd van de Omoto-kyo religie, Onisaburo Deguchi, en na het overlijden van zijn vader, vestigde Morihei zich hier met zijn familie en wijdde zich acht jaar lang aan de studie van het Omoto-kyo onderricht en onderwees er Budo (krijgskunsten). Onisaburo was een voorstander van geweldloos verzet en universele ontwapening en realiseerde zich dat Morihei gekomen was om de werkelijke bedoeling van Budo te onderwijzen, namelijk om een einde te maken aan alle conflict.

Zijn studie van de Omoto-kyo religie en zijn sterke band met Onisaburo zijn van diepe invloed geweest op Morihei’s leven. Morihei kreeg volledig vertrouwen van Onisaburo en nam deel aan veel spirituele oefeningen. Naar eigen zeggen was het Sokaku Takeda die hem de essentie van Budo liet zien en zijn het de ervaringen bij Omoto-kyo geweest die hem bewust maakten van het werkelijke doel van Budo: de liefde belichamen die alle wezens voedt en koestert. Dit bewustzijn werd zijn drijfveer voor zijn verdere trainingen en de boodschap voor ieder die geïnteresseerd raakte in Aikido.

In 1925 begon de kracht die Morihei ontwikkeld had mensen van buiten de Omoto-kyo kring aan te trekken, waaronder Shutaro Nishimura, Kenji Tomiki en de befaamde admiraal Isamu Takeshita. Hoewel ze allen werden gezien als superieure krijgskunstenaars, waren geen van allen in staat om de inmiddels 41-jarige Morihei ook maar een haar te krenken. Onisaburo omschreef Morihei als de beste, nog levende krijgskunstenaar. Twee jaar later, in 1927, moedigde Onisaburo Morihei aan om zijn eigen weg verder te ontwikkelen en dat deed hij. Morihei vertrok naar Tokyo en bouwde er een dojo in het Ushigome district op de plek waar tegenwoordig het Aikido Wereld Hoofdkwartier staat. Het gebouw stond nog in de steigers en de dojo was amper begaanbaar of er kwamen al veel leraren uit andere disciplines op af om van Morihei les te krijgen.

In 1931 vond de voltooiing van de dojo plaats en kreeg het de naam Kobukan. Met Morihei als hoofdleraar trok dit veel nieuwe leerlingen als Hajime Iwata en Rinjiro Shirata. Potentiële leerlingen hadden er alles voor over om als leerling geaccepteerd te worden. Morihei was uiterst selectief en toetste de motivatie van elke kandidaat. Er werd geen contributie gevraagd, maar elke uchi-deshi (een leerling die bij zijn leraar in huis of dojo woont) droeg iets bij in de vorm van geld, voedsel, andere benodigdheden of werk. De uchi-deshi van Morihei sliepen in de dojo, hielden de boel schoon en vervulden andere taken en stonden hun leraar bij tijdens reizen, excursies, enz. Op de mat was Morihei continu aan het experimenteren met nieuwe vormen en zo ontstonden spontaan technieken. Hij hanteerde geen vast systeem; er werd gewerkt met wat Morihei op dat moment aan het onderzoeken was. Eén van de disciplines die hij onderzocht in de Kobukan was die van het zwaard. Dit vorderde zo ver dat er een aparte Kendo tak werd opgericht, die werd geleid door Morihei’s geadopteerde zoon Hakudo Nakayama. De reputatie van Morihei’s stijl rijkte zo ver dat hij werd gesommeerd voor keizer Hirohito een demonstratie te geven.

Tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hield Morihei zich intensief bezig met lesgeven in de Kobukan. Daarna gaf hij trainingen aan de belangrijkste militaire en politie academies, maar zich bewust wordend van het verschil tussen de essentie van Budo en de vernietiging van de oorlog besloot Morihei zich terug te trekken uit het publieke leven. De slachting die op het slagveld plaatsvond raakte hem diep fysiek en emotioneel en hij kon zich niet verenigen met het gedachtegoed van de militaire leiders van zijn land. Hij besloot om afstand te doen van al zijn publieke functies.

Gedreven door het verlangen om de puurheid van zijn krijgkunst te behouden, verliet hij de stad en trok in 1942 naar het platteland van Iwama. Sinds 1935 had Morihei hier land vergaard in de hoop zich er in de toekomst te vestigen. Eenmaal terug in de aanwezigheid van Moeder Natuur herstelde Morihei zich en begon zich te concentreren op de bouw van wat hij ubuya (geboorte kamer) noemde, of heilige, innerlijke plek van Aikido: een complex met het nu beroemde Aiki Monument en een dojo. Bij zijn vertrek uit Tokyo droeg hij de verantwoordelijkheid van Kobukan over aan zijn zoon Kisshomaru.

Iwama wordt beschouwd als de geboorteplaats van Aikido, de Weg van de Harmonie. Voorafgaand aan Morihei’s verhuizing naar het platteland heette zijn krijgkunst onder andere Aiki Jutsu (Sokaku periode) en daarna Aiki Budo (ten tijde van de Kobukan), maar het accent lag in deze gevallen op het martiale aspect. In Aikido staat de innerlijke Weg centraal; het was een spirituele Weg geworden.



Na de oorlog werd de Kobukan Dojo gebruikt als opvanghuis voor dertig dakloze gezinnen, waardoor het oefenen daar niet langer kon doorgaan.  Het hoofdkwartier werd tijdelijk verhuisd naar Iwama, waar Morihei in alle rust zijn land verbouwde en les gaf aan jonge mensen uit de omgeving. Toen in 1948 de verwarring die de oorlog had gebracht wat afgezwakt was, werd besloten om het hoofdkwartier weer terug naar Tokyo te brengen. Ditmaal kreeg de dojo in Tokyo de naam Ueshiba Dojo en de dagelijkse gang van zaken viel terug onder de verantwoording van Kisshomaru. Hij stichtte in deze periode ook de Aikikai Foundation. Deze organisatie beoogt de stimulering van de ontwikkeling en verspreiding van Aikido wereldwijd. Morihei bleef in Iwama en bracht zijn tijd door met studie, meditatie en het beoefenen van Aikido. Af en toe reisde hij naar Tokyo om in de Ueshiba Dojo les te geven.

Onder de leerlingen die toetraden tot de dojo tijdens en na de oorlog behoren Koichi Tohei, Kanshu Sunadomari, Seiichi Sugano en Kenji Shimizu. Voor de senior studenten was het duidelijk dat de felheid en fysieke kracht die Morihei’s jongere jaren karakteriseerden plaats hadden gemaakt voor een volmaakte techniek die voortvloeide uit zijn totale aanwezigheid. Zensaburo Ozawa, leerling van Soto Zenmeester Kodo Sawaki, zou Aikido later omschrijven als “Zen in beweging”, waarbij het uitvoeren van de technieken gebeurt met perfecte precisie en schoonheid.

Vanaf 1950 begon Morihei weer door Japan te reizen om gehoor te geven aan uitnodigingen tot lesgeven. Maar de jaren na de oorlog waren voor Morihei een stuk rustiger dan die daarvoor. Hij liet alle administratieve taken over aan zijn zoon en senior studenten. Zo had hij voor zichzelf de ruimte om de Weg van de Harmonie verder uit te diepen en eindeloos te verfijnen. Later begon hij steeds minder te trainen op de mat, maar verdiepte zich verder in meditatie en gebed. Hij inspireerde zijn leerlingen door een voorbeeld voor hen te zijn. De keren die hij nog op de mat te zien was, lag de nadruk op de spirituele betekenis van Aikido.

Door toedoen van de Aikikai Foundation kreeg Aikido steeds meer aandacht en nam het aantal buitenlandse leerlingen snel toe. Overal in het land werden dojo gebouwd. Morihei vreesde voor het behoud van de werkelijke boodschap van Aikido temidden van deze popularisering en trok zich terug in Iwama. Hij wees halverwege jaren ’60 zelf een aantal leerlingen aan om Aikido over de wereld te verspreiden.

In zijn laatste jaren werd Morihei overladen met onderscheidingen, waaronder een speciale erkenning van keizer Hirohito voor zijn bijdrage aan de krijgskunsten en de Shijuhosho award, eveneens ontvangen van de keizer, een erkenning die maar drie mensen voor hem hebben ontvangen. In 1967 werd in Tokyo een grotere dojo gebouwd om de golf aan nieuwe leerlingen aan te kunnen; Morihei gaf daar zijn laatste demonstratie op 15 januari 1969.

Hoewel het van buiten niet zichtbaar was, Morihei’s kracht nam nimmer af, ging zijn gezondheid snel achteruit en hij verliet vredig het leven op 26 april 1969. Op zijn sterfbed zei hij tegen zijn leerlingen en vrienden, “Aikido is voor iedereen. Gebruik het is niet voor egoïstisch of destructieve doelen. Oefen onophoudelijk voor het welzijn van allen.” In de Hombu Dojo werd een wake gehouden op 1 mei en op dezelfde dag kreeg hij postuum een onderscheiding toegewezen door keizer Hirohito. Zijn as werd begraven in de Ueshiba familie tempel in Tanabe. Plukjes van Morihei’s haar werden opgeborgen in het Aiki Monument in Iwama, de Ueshiba begraafplaats in Ayabe en in het Grote Kumano Monument.

[Kisshomaru Ueshiba werd gekozen tot opvolger van zijn vader als Aiki Doshu (erfgenaam) door een unanieme beslissing van de Aikikai-organisatie op 14 juni 1970. Inmiddels fungeert diens zoon Moriteru als Doshu.]

Deel 2

In 1978 begint Ad van Dun met het volgen van Aikidotrainingen in Heerlen, na hierover gehoord te hebben van een medelid uit de Zengroep waar ze dan beiden deel van uitmaken. Een jaar later neemt Ad voor het eerst deel aan een zomerschool, die wordt geleid  door de Japanse leraar Seiichi Sugano. Sugano is vanaf 1959 een directe leerling van Morihei Ueshiba geweest, die hem in 1965 aanwees om Aikido in Australië te introduceren. Nadat hij deze taak van zijn meester had volbracht kwam hij in 1979 op verzoek van Nobuyoshi Tamura (voormalig uchi-deshi) naar België om in Europa les te geven. De zomerschool van ’79 is de eerste in een reeks die Ad blijft volgen tot aan het vertrek van Sugano naar New York in 1988. Hoewel de trainingen in Heerlen bij sportschool Krystek goed zijn voor het ontwikkelen van zijn vaardigheid en techniek, mist hij er de bezieling en diepgang die tijdens de zomerscholen en andere trainingen van Sugano wel aangeboord wordt. Sugano’s belichaming van de Weg is integer en zijn training wordt gekenmerkt door een levendige intentie en betrokkenheid; zijn lessen beginnen regelmatig met meditatie.



Stage met Sugano sensei in 1987 (Papendal)


Tijdens de stages van Sugano leert Ad diens leerling Dany Leclerre kennen die in ‘82 begint met lesgeven in Maastricht. Uit dit initiatief ontstaat Aikidovereniging Ma-ai. Twee jaar later wordt Ad door Dany Leclerre gevraagd om het lesgeven over te nemen. Dankbaar geeft Ad gehoor aan dit verzoek, maar hij blijft zelf ook trainen bij talloze andere leraren die hij uitnodigt om in Maastricht les te komen geven. Zo blijft zijn proces gevoed worden. Het leraarschap faciliteert zijn eigen oefening.

In 1986 vindt er een splitsing plaats binnen Ma-ai waaruit twee scholen voortkomen: Zanshin en Ma-ai. Ad blijft bij Ma-ai lesgeven. Om het inhoudelijke perspectief van zijn oefenproces te handhaven gaat Ad na het vertrek van Sugano in ’88 op zoek naar andere leraren. Uiteindelijk nodigt hij Kenji Shimizu en John Stevens uit om in Nederland les te geven. De volgende jaren trekt Ad intensief met deze twee leraren op. Shimizu was een directe leerling van Morihei Ueshiba en heeft zich na de dood van zijn leraar toegelegd op het ontwikkelen van zijn eigen stijl: Tendoryu Aikido. De Amerikaan John Stevens is in 1973 van Illinois naar Japan verhuisd en is daar met Aikidotraining begonnen onder Hanzawa Yoshimi Sensei om uiteindelijk in Rinjiro Shirata sensei zijn meester te vinden. [1]

De tien jaren van 1986 tot 1996 worden aktief gevuld, zowel met oefenpraktijk als met organisatieperikelen. Beide leraren belichamen een zelfstandige en aantrekkelijke Aikidostijl: leerzaam om te beoefenen en waardevol om te faciliteren. Dat laatste leidt tot landelijke initiatieven om te komen tot een bruikbare organisatievorm (bond). Als voorzitter van de Aikido Renmei Nederland en als technisch gedelegeerde van Tendoryu Aikido investeert Ad veel energie in bijkomende uiterlijke aspecten van het oefenen: stages regelen, assistent en uke zijn voor de leraren, overleg met instanties, voorwaarden scheppen voor gezonde organisatie, contacten leggen met andere aikidoclubs en bonden, etc.

Deze intensieve aktiviteiten leiden ertoe - paradoxaal genoeg - dat Ad in 1996 stopt met lesgeven teneinde te kunnen toekomen aan echte innerlijke kwaliteit. Ondanks dat hij af en toe een stage blijft verzorgen wordt er niet meer op wekelijkse basis getraind. Het is vooral een periode van intensief zoeken naar de Weg, d.w.z. naar de definitieve verbinding met het leven zélf met het dagelijks leven: de vereniging van het innerlijke met het wereldse. Het is een tijd van weinig contacten en veel anonieme oefening thuis, van studeren en vertalingen maken, een tijd vooral waarin alle bestaande processen (Aikido, Zen etc.) opnieuw getoetst worden en vele nieuwe processen geproefd (Vedanta, energiewerk, bedrijfstraining). Aan het einde van deze periode geeft hij deze ontwikkeling vorm via websites die zijn visie op Aikido en Zen weerspiegelen.

Vanaf 2000 is dit onderzoek langzamerhand uitgekristalliseerd: Zen en Aikido blijken definitief zijn Weg te vormen. In het voorjaar van 2003 komt er een uitnodiging van oud-leerling Rob Vincken van Aikidovereniging Zanshin om weer Aikido trainingen te gaan verzorgen in de oefenruimte te Wijck. Die lessen vinden plaats onder de naam Innerlijk Aikido, een term die Ad voor het eerst in 1997 gebruikt in een ARN-artikel. [2]
Nadat Innerlijk Aikido is geformaliseerd tot Aikidoschool Inai vindt de ontwikkeling van Innerlijk Aikido kleinschalig en gestaag verder vorm - aanvankelijk enkele jaren onder de organisatorische paraplu van Zanshin maar uiteindelijk verzelfstandigd.

Inmiddels is Zen Centrum Prajna, waar Ad als leraar fungeert, voldoende gegroeid om een definiteve vorm te gaan zoeken: de visie van een geschikte oefenplek in het Limburgse heuvelland wordt geboren - het concept krijgt de naam Stiltij. Eind 2007 heeft Stiltij de potentie om zich definitief te gaan vestigen en omwille dit grotere doel (de realisatie van Stiltij) laat Ad het kleinere (de Aikidotrainingen in Wijck) los.

Aikidoschool Inai maakt vanaf dat moment, net als Zen Centrum Prajna, deel uit van de "pelgrimage" van Stiltij richting eindplek waar het uiteindelijke programma zal voorzien in dagelijkse beoefening van meditatie en krijgskunst, aangevuld met bedrijfstrainingen (Deeplife) en herbergfaciliteiten (Limboeddha).

Ad:

"Het proces voelt nu heel organisch en krachtig. De training voelt zinvol, inspirerend en heel waardevol. Tijdens de training ontstaat bij de deelnemers bezieling en het voelt niet als constructie.
Het Aikido dat Osensei voor ogen stond, is een weg naar innerlijkheid, naar verwerkelijking. Wat Stiltij centraal stelt is dat alles wordt getoetst op verwerkelijkingskwaliteit. Het criterium is dat het verder dan vaardigheid moet gaan.
Tijdens de training worden we uitgenodigd om steeds weer die grondintentie aan te boren. Dat is transformatie in actie. Steeds als we trainen wekken we die intentie en dat maakt het zo kloppend."



[1] Beide leraren zijn nog steeds aktief in Nederland en hebben elk hun eigen organisatie. Shimizu sensei is co-auteur van "Zen and Aikido"; John Stevens heeft vele boeken op zijn naam staan, m.n. over Zen en Aikido (twee daarvan zijn in het Nederlands vertaald door Ad van Dun).

[2] Aanvankelijk werd ook de term "Inner Aikido" gehanteerd maar die werd losgelaten uit respect voor Sugano sensei die dezelfde term bleek te hanteren als aanduiding voor zijn eigen stijl van Aikido.