Bron:

Thich Nhat Hanh:
In de voetsporen van de Boeddha.
Haarlem 2006, p. 96 e.v.

 

 

Boeddha's verlichtingservaring

Onder de pippalaboom bundelde kluizenaar Gautama heel zijn formidabele concentratievermogen en keek in diepe aandacht naar zijn lichaam. Hij zag dat iedere cel van zijn lichaam net een druppel water was in een eindeloos stromende rivier van geboorte, bestaan en dood, en hij kon in het lichaam niets vinden dat onveranderd bleef of waarvan je kon zeggen dat het een afzonderlijk zelf bezat. Vermengd met de rivier van zijn lichaam was de rivier van gevoelens waarin elk gevoel een druppel water was. Ook deze druppels verdrongen elkaar in voortdurende geboorte, bestaan en dood. Sommige gevoelens waren prettig, andere onprettig en weer andere neutraal, maar al zijn gevoelens waren vergankelijk: ze kwamen en gingen, net als de cellen van zijn lichaam.


Met zijn diepe concentratie onderzocht Gautama nu de rivier van waarnemingen die met de rivieren van lichaam en gevoelens meestroomde. De druppels in de rivier van waarnemingen vermengden zich met elkaar en beïnvloedden elkaar in hun proces van geboorte, bestaan en dood. Als je waarnemingen nauwkeurig waren kwam de werkelijkheid heel gemakkelijk aan het licht, maar als je waarnemingen niet juist waren, raakte de werkelijkheid versluierd. Mensen raakten verstrikt in eindeloos lijden vanwege hun onjuiste waarnemingen: ze meenden dat wat vergankelijk is blijvend was, dat wat zonder zelf is een zelf bevatte, dat wat geen geboorte en dood kent wel geboorte en dood kende en ze verdeelden het ondeelbare in onderdelen.

Toen wierp Gautama het licht van zijn aandacht op de gemoedstoestanden die de bron van lijden waren - vrees, boosheid, haat, arrogantie, jaloezie, hebzucht en onwetendheid. Bewuste aandacht gaf overvloedig licht in hem als een heldere zon en hij gebruikte die zon van aandacht om de aard van al die negatieve gemoedstoestanden te verhelderen. Hij zag dat ze allemaal ontstonden door onwetendheid. Ze waren het tegendeel van bewuste aandacht. Ze waren duisternis - het ontbreken van licht. Hij zag dat de sleutel tot bevrijding erin gelegen zou zijn de onwetendheid te doorbreken, diep in het hart van de werkelijkheid door te dringen en er rechtstreekse ervaring van te verwerven. Zulke kennis zou geen verstandelijke kennis zijn maar kennis uit directe ervaring.

In het verleden had Siddhartha naar manieren gezocht om vrees, boosheid en begeerte te overwinnen, maar de methoden die hij had gebruikt hadden geen vruchten afgeworpen omdat het enkel pogingen waren om zulke gevoelens en emoties te onderdrukken. Siddhartha begreep nu dat ze door onwetendheid werden veroorzaakt en dat, als je eenmaal bevrijd was van onwetendheid, geestelijke belemmeringen vanzelf zouden verdwijnen, zoals schaduwen vluchten voor de opkomende zon. Slddhartha's inzicht was de vrucht van zijn diepe concentratie.

Zo wierp Siddhartha licht op de rivieren van zijn lichaam, gevoelens, waarnemingen, zijn gemoedstoestanden en zijn bewustzijn en nu begreep hij dat vergankelijkheid en zelfloosheid juist de voorwaarden zijn die noodzakelijk zijn voor het leven. Zonder vergankelijkheid en zelfloosheid kon niets groeien of zich ontwikkelen. Als een rijstkorrel niet van nature vergankelijk en zonder zelf was kon hij niet uitgroeien tot een rijstplant. Als wolken niet zelfloos en vergankelijk waren, konden ze niet in regen veranderen. Zonder vergankelijkheid en zelfloosheid kon een kind nooit opgroeien tot volwassene. Dus, zo dacht hij, als je het leven accepteert, accepteer je daarmee vergankelijkheid en zelfloosheid. De bron van het lijden is een onjuist geloof in bestendigheid en in het bestaan van een zelf voor ieder afzonderlijk. Als j e dit inziet, begrijp je dat er geen geboorte en geen dood is, geen opbouwen geen afbraak, een noch vele, binnen noch buiten, groot noch klein, rein noch onrein. Al zulke denkbeelden zijn verkeerde onderscheidingen die door het ver- I stand geschapen worden. Als je doordringt in de leegte van alle dingen zul je alle geestelijke belemmeringen te boven komen en bevrijd worden uit de cyclus van het lijden.

Door bewuste aandacht waren Siddhartha's geest, zijn lichaam en zijn adem volmaakt op elkaar afgestemd. Door zijn beoefening van bewuste aandacht was hij in staat een diepe concentratie op te bouwen. Die kon hij nu gebruiken om het licht van zijn aandacht te laten schijnen over zijn lichaam en geest. Nadat hij diep in meditatie was gegaan begon hij op te merken dat talloze andere wezens in zijn eigen lichaam aanwezig waren, precies op datzelfde moment. Organische en anorganische wezens, mineralen, mossen en grassen, insecten, dieren en mensen bevonden zich allemaal binnen in hem. Hij zag dat andere wezens precies op dat moment met hem zelf samenvielen. Hij zag zijn eigen vorige levens, alle keren dat hij geboren en gestorven was. Hij zag de schepping en de vernietiging van duizenden werelden en van duizenden sterren. Hij voelde alle vreugden en al het verdriet van alle levende wezens - wezens die uit moeders geboren waren, wezens die uit eieren geboren waren en wezens die door deling geboren waren, die zichzelf deelden tot nieuwe schepselen. Hij zag dat iedere cel van zijn lichaam hemel en aarde helemaal omvatte en de drie tijden - verleden, heden en toekomst - omspande. Het was het uur van de eerste nachtwake.

Gautama ging nog dieper in meditatie. Hij zag hoe talloze werelden ontstonden en vergingen, geschapen en vernietigd werden. Hij zag hoe talloze wezens talloze malen door geboorte en dood gaan. Hij zag dat deze geboorte en dood telkens slechts uiterlijke schijn waren en niet de echte werkelijkheid, zoals miljoenen golven onophoudelijk opkomen en verdwijnen aan de oppervlakte van de zee, terwijl geboorte en dood op de zee zelf geen vat hebben. Als de golven begrepen dat ze zelf water waren zouden ze boven geboorte en dood uit stijgen en echte innerlijke vrede bereiken, en daarmee alle angst overwinnen. Dit besef stelde Gautama in staat boven het net van geboorte en dood uit te stijgen, en hij glimlachte. Zijn glimlach was als een bloem die diep in de nacht bloeide en een krans van licht uitstraalde. Het was de glimlach van een wonderbaarlijk begrijpen, van het inzicht dat alle onreinheid tenietdoet. Hij bereikte dit niveau van begrijpen bij de tweede nachtwake.

Net op dat moment ratelde de donder en grote bliksemschichten flitsten langs de hemel alsof ze die in tweeën wilden splijten. Zwarte wolken verduisterden de maan en de sterren. Regen stroomde neer. Gautama was doorweekt, maar hij kwam niet van zijn plaats. Hij ging door met zijn meditatie.

Zonder te af te dwalen liet hij het licht van zijn aandacht over zijn eigen bewustzijn schijnen. Hij zag dat levende wezens lijden omdat ze niet begrijpen dat ze een gemeenschappelijk fundament met alle wezens delen. Onwetendheid brengt een heleboel verdriet, verwarring en moeilijkheden teweeg. Begeerte, boosheid, arrogantie, twijfel, jaloezie en vrees hebben allemaal hun wortels in onwetendheid. Als we onze geest tot rust leren brengen en aandachtig leren kijken naar de ware aard van de de dingen, kunnen we volkomen begrip bereiken. Daardoor lossen alle verdriet en angst op en ontstaan aanvaarding en liefde.

Siddharta keek diep in het hart van alle wezens en verwierf inzicht in het bewustzijn van alle wezens, waar zij ook waren en hij kon van hen allemaal de kreten van lijden en van vreugde horen. Hij bereikte de toestand van helder zien, helder horen en het vermogen om over alle afstanden te reizen zonder zich te bewegen. Het was nu het einde van de derde nachtwake en het onweerde niet meer. De wolken dreven terug zodat je de heldere maan en de sterren kon zien.

Gautama had het gevoel alsof een gevangenis waarin hij duizenden levens lang opgesloten had gezeten nu was opengebroken. Onwetendheid was de cipier geweest. Door onwetendheid was zijn geest verduisterd, net zoals de maan en de sterren door de onweerswolken aan het zicht waren onttrokken. Beneveld door eindeloze golven van misleide gedachten, had het bewustzijn ten onrechte de werkelijkheid opgedeeld in subject en object, zelf en anderen, bestaan en niet-bestaan, geboorte en dood. Uit deze indelingen ontstonden verkeerde zienswijzen - de gevangenissen van gevoelens, begeerte, grijpen en worden. Het lijden van geboorte, ouderdom, ziekte en dood maakte de gevangenismuren alleen maar dikker. Het enige wat je te doen stond was de cipier grijpen zodat je zijn ware gezicht kon zien. Die cipier was onwetendheid. En de middelen om de onwetendheid te overwinnen vormden samen het Edele Achtvoudige Pad. Als de cipier eenmaal weg was, zou de gevangenis verdwijnen om nooit meer herbouwd te worden.

Kluizenaar Gautama glimlachte en fluisterde voor zich heen: 'O cipier, nu zie ik je. Hoeveel levens lang heb je me gevangengehouden in de gevangenissen van geboorte en dood? Maar nu kan ik je gezicht duidelijk zien en van nu af aan kun je geen gevangenissen meer om mij heen bouwen.'

Siddhartha keek op en zag de morgenster aan de horizon verschijnen, schitterend als een geweldige diamant. Hij had deze ster al zo vaak gezien terwijl hij onder de pippalaboom zat, maar deze ochtend was het alsof hij hem voor het eerst zag. Hij straalde als de juichende glimlach van de Verlichting. Siddhartha staarde naar de ster en riep uit diep mededogen: 'Alle wezens hebben de kiem van Verlichting in zich en toch verdrinken we zovele duizenden levens lang in de oceaan van geboorte en dood!'

Siddhartha wist dat hij de Grote Weg gevonden had. Hij had zijn doel bereikt en nu voelde hij in zijn hart volmaakte vrede en rust. Hij dacht aan zijnjaren van zoeken, vol teleurstellingen en ontberingen. Hij dacht aan zijn vader, zijn moeder, zijn tante, Yasodhara, Rahula en aan al zijn vrienden. Hij dacht aan het paleis, aan Kapilavatthu, aan zijn land en volk en aan al degenen die in ontbering en armoede leefden, vooral kinderen. Hij beloofde een manier te vinden om zijn ontdekking te delen, om alle anderen te helpen zichzelf van het lijden te bevrijden. Uit zijn diepe inzicht kwam een diepe liefde voor alle wezens op.